Menu
Activiteiten
Over de Club
Clubblad/Nieuws
Bestuur
Lid worden
Ledenlijst
Clubshow
 
** Uit de Oude Doos **

Uit de oude doos: (Avicultura1982), een oud artikel van de helaas overleden keurmeester Kees Dirksen.

De gedachte om toch nog eens een uitvoerig artikel over ons nationaal en populairste ras te schrijven, komt gewoon bij mij op omdat ik in het afgelopen showseizoen veel lage predicaten heb moeten geven, niet uit plezier, maar hopelijk tot verbetering van het ras. Terwijl er toch voldoende lectuur is, zoals een bekende Oudhollandse meeuwenspecialist en keurmeester schreef en dan te bedenken dat het O.H.Meeuwenboekje van de oprichter van de club niets aan het toeval over laat, zo duidelijk en klaar als die man schrijft.

Maar enfin hoe moet nu een O.H.Meeuw eruit zien zullen velen van U zich afvragen en dan beginnen we altijd met: Type; wat is type? Een O.H.Meeuw moet een kloeke vogel zijn en van opzij gezien moet die absoluut horizontaal staan dus niet afhellend, de borst moet diep en breed zijn en goed gerond, men mag de vleugelbogen niet zien, dat wil zeggen dat ze niet naar voeren uitsteken wat zo vaak voorkomt en kort in achterpartij zodat het lichaam in balans kan staan, maar doordat er de laatste jaren veel ingekruist is mankeert er hier en d nog veel aan, het lichaam moet dus één harmonie zijn en daar passen een paar middellange benen onder, die niet te dicht tegen elkaar gepatst zijn. Dan, de hals die ook middellang moet zijn en dit doordat er rijke manen op zitten en een scherpe kam vormen die naar boven toe in een puntkap eindigt, van voren moet een rijke jabot aanwezig zijn, dat zijn een lange rij veertjes die naar beide zijden uitlopen en omgekruld zijn. Puntkap en manen mag en mogen niet onderbroken of gapingen vertonen en de hals moet iets achterwaarts of teruggetrokken worden gedragen in paradestelling. Van voren gezien moet de borst breed en vol zijn en de middellange benen niet te dicht tegen elkaar geplaatst, dan krijgt men een kloeke Oud Hollandse meeuw.


Kopstudie: zowel van boven als van terzijde gezien, zonder kneep of indeuking.

De kop: Die bestaat uit heel veel onderdelen en ook dat moet een geheel of harmonie zijn. U begrijpt dus hoe moeilijk dit is want uit één of drie zeer goede onderdelen maakt men nog geen mooi belijnde kop. De koponderdelen zijn de volgende: onder- en bovensnavel, lengte snavelaanzetting, snavelinplanting, neusdoppen, voorhoofdlengte, voorhoofdvulling, stop, voorhoofdbreedte, schedellengte, vulling voor en boven de ogen, ogen en oogranden en een diepe keeluitsnijding; fokkers en inzenders heeft U hier wel eens aan gedacht. De kop van opzij bezien, die men horizontaal vast moet houden om bovengenoemde onderdelen te beoordelen. De snavelhelften moeten van gelijke dikte en middellang zijn dus niet te kort, van snavelpunt tot voorhoofdstop moet één lichtgewelfde belijning zijn die absoluut niet te kort mag zijn of onderbroken door snaveldruk, onvoldoende vulling in voorkop; van de stop naar de puntkap is de schedel en die moet weer langer zijn dan de voorkop dan heb je de juiste verhouding, de opening van de snavel moet door de punt van het oog of minimaal door de onderkant van het oog lopen. Zeer belangrijk is dat de snavelinplanting breed is enen goed is ingezet, dat betekent dat deze zonder stoornis met het voorhoofd meeloopt. Ook moet er boven en voor het oog voldoende ruimte zijn, zodat de stop ook werkelijk vloeiend verloopt, die mag niet hoekig zijn en dat ook absoluut niet als het voorhoofd gevuld is, een te ronde kop ontstaat als het voorhoofd goed gevuld is, maar wanneer het oog te icht bij de bovenkant van de schedel zit en voor he oog geen vulling zit. Dit zijn meestal nog kruisingen van Antwerpse smierels en als dat zo is, is de schedel ook te kort ten opzichte van het voorhoofd. De oogranden worden smal en breed verland, hier moet ook duidelijk op gelet worden, dde neusdoppen zijn fijn en glad, ook die mogen de voorkop niet storen dat is toch duidelijk.

De Standard verlangt ook een diepe keeluitsnijding en hoog aangezette puntkap waar naar mijn mening nog te weinig aandacht wordt besteed of zijn dit nog overblijfselen van de turbit of andere meeuwenrassen uitgezonderd de smierels waar een volle keel een raskenmerk van is. Van boven gezien mag de voorkop geen kneep of groffe neusdoppen vertonen en een spitse snavel ook van die kant moet alles vol en één belijning zijn met de grootste breedte tussen de ogen.

Ook waar men tegenwoordig op moet letten is de rugafdekking die goed gesloten moet zijn. Na de bouw en kop komt de tekening. Om de kleurslagen op te noemen heeft weinig zin dacht ik. De Oudhollandse meeuw moet minimaal 7 witte slagpennen hebben, maximum 12; meer dan 12 geldt als een lichte fout. Als het schild volgekleurd is, kan men zelfs het hoogste predicaat behalen, bont in buik en dijen is absoluut een uitsluitingsfout. Wanneer men al deze factoren eens op een rijtje zet moet het voor de fokker een uitdaging zijn om O.H.Meeuwen te kweken en kan men terecht blij zijn wanneer men een zeer goed of fraai dier fokt want dat vergeten de inzenders dacht ik nog wel eens; een ZG is zeer goed. Dat dit artikel iets mag bijdragen tot vervolmaking van mooie oer Hollandse ras.

Kees Dirksen.


   

Deze foto laat duidelijk zien hoe het type niet moet zijn, afhellende stand, geen borstbreedte, en diepte, veel te lange achterpartij.

 

Naschrift: Dit is een oud artikel, toentertijd was bij de beoordeling van het type nogal de nadruk op vol en rond in borst waardoor de O.H.Meeuw steeds forser werd, nu is meer aandacht voor een elegante meeuw, maar voor de rest vind ik dit nog steeds een zeer leerzaam artikel met een duidelijke omschrijving van alle onderdelen waarop een O.H.Meeuw beoordeelt moet worden.

Roelf Staats

 
 
Over Sierduiven | Ringen | Galerij